Kale wegluis voor de massa

Fiat brengt in 1955 de 600 op de markt, een nieuw en modern concept met een zelfdragende carrosserie. Toch wordt het nieuwe kleintje niet gezien als de opvolger van de legendarische Topolino. De 600 is een vierzitter, de Topolino was een tweezitter. Het moest mogelijk zijn een nog kleinere en economischer auto te bouwen zonder de 600 in de wielen te rijden. Zo wordt de 500 geboren.

Door Rik Werner

De Nuova 500 wordt in het voorjaar van 1957 verwacht, maar verschijnt pas op 4 juli en krijgt niet de ontvangst die de fabrikant voor ogen heeft. Dat heeft zo zijn redenen. Dante Giacosa, directeur van de technische afdeling van Fiat en verantwoordelijk voor alle ontwerpen, heeft een gevecht met de directie moeten voeren om zijn ontwerp erdoor te drukken. Vooral waar het gaat om de motor. De Fiat-directie geeft de voorkeur aan een opbouw met twee cilinders tegenover elkaar, in plaats van in lijn. De krachtbron moet immers kleiner zijn dan de 633 cc motor van de 600. Er wordt driftig geëxperimenteerd met een aantal nieuwe ontwerpen. Uiteindelijk valt de keuze – alsnog - op een luchtgekoelde tweecilinder lijnmotor met een inhoud van 479 cc. Net als bij de 600 wordt deze krachtbron achterin geplaatst. De nieuwe Fiat krijgt definitief de naam Nuova 500 opgeplakt, op zijn Italiaans Nuova Cinquecento. Om de nog vrij verse 600 (Seicento) niet te dwarsbomen, besluit Fiat van de 500 geen volwaardige vierzitter te maken. De carrosserie wordt daarom heel doelbewust ontworpen als een 2+2. Om de 500 verder te onderscheiden van de 600 kiest de leiding in Turijn ervoor de uitvoering uiterst spartaans te houden. En dat betekent: geen chroomstrips en geen wieldoppen. Erger nog: een benzinemeter ontbreekt en de ruitenwissers keren na gebruik niet automatisch terug naar de onderkant van de voorruit. De zijruiten kunnen ook al niet open: ventilatieraampjes vangen het ongemak maar ten dele op omdat zij in geopende toestand niet vastgezet kunnen worden. Vervelend bij een fikse regenbui…. En vanzelfsprekend dient ook de topsnelheid onder die van de 600 te blijven, zodat die van de 500 op 85 km/h per uur wordt afgesteld. Het is, al met al, armoe troef.

Stijgende lijn
In de eerste jaren verkoopt de 500 dan ook slecht. In 1957 worden in een half jaar tijd 28.437 exemplaren verkocht en in heel 1958 slechts 22.845 stuks. Misschien is het ukkie wel te sober of moet het publiek wennen aan de minuscule buitenmaten, zo vermoeden de Fiat-notabelen in Turijn. Al na een jaar, in 1958, besluit de directie tot de montage van draairamen. Bovendien verschijnt de 500 Sport ten tonele, een kek wit gespoten ding met rode striping links en rechts dat in combinatie met een opgevoerde 499,5 cc motor 21 pk afgeeft en nu een top haalt van 105 km/h. Het jaar daarop wordt de bodemplaat veranderd, zodat er een volwaardige (nou ja…) achterbank geplaatst kan worden. De 500 is zowaar bijna als een vierzitter te betitelen. Het publiek kan de ingrepen wel waarderen, de verkopen laten prompt een stijgende lijn zien. In 1959 is de 500 als ‘Tetto appribele’ met een open dak leverbaar. En Fiat heeft meer in petto: in 1960 verschijnt met de Giardiniera een heuse stationcar-uitvoering op de markt. Fiat kantelt heel gewiekst de motor, zodat er zowaar een laadruimte van enige importantie in het kaartje ontstaat. Vanaf dat moment wordt Nuova 500 niet langer beschouwd als een speelgoedautootje en krijgt de Fiat de kenmerken van een ware ‘utilaria’.

Rugzakje
Fiat blijft in het nieuwe decennium, de woelige jaren zestig, de 500 gestaag verder ontwikkelen. Het gevolg is dat de verkopen van de 500 met de jaren toenemen. Niet zo heel gek, want de 500 is in heel West-Europa de goedkoopste auto die er nieuw leverbaar is. Sterker nog: aan het einde van de jaren zestig begint het rugzakje, zoals de auto in Nederland inmiddels liefkozend wordt genoemd, aan een tweede leven: die van (zeer geliefde) tweede auto in het gezin. Wat de ontwikkelingen zijn? Om te beginnen vergroot Fiat in oktober 1960 de motorinhoud van 479 naar 499,5 cc en spreken we voortaan van de Fiat 500 D. De topsnelheid komt nu uit op 95 km/h en de achterbank kan naar voren worden geklapt. Nieuwe knipperlichten en dito velgen completteren de facelift. Het blijkt een gouden ingreep, want de D-serie is zowel binnen als buiten Italië nauwelijks aan te slepen. In 1965 verrast Turijn met een nieuwe update: de portieren scharnieren voortaan aan de voorkant. Fiat sorteert voor op een dreigend verbod op wat wij nu ‘suicide doors’ noemen (destijds spreekt men van ‘deurtjes verkeerd’). De 600 en overige modellen krijgen eveneens de nieuwe portieren. De 500 luistert in jaar jongste vorm inmiddels naar de naam 500 F.

Sloop en shredder
In 1968 verschijnt de 500 L (van Lusso), in feite een luxueuzer aangeklede versie van de F met wat extra’s, zoals chroomstrips, dikkere bekleding en een ander dashboard. Op dat moment is de 500, na elf jaar productie, wel wat gedateerd geworden, net als de nog langer meedraaiende 600. Ondanks dit gegeven blijft de 500 een bestseller en dus besluit Fiat het kleintje in 1972 nog eenmaal flink onder handen te nemen. Een topsnelheid van 95 kilometer per uur is niet meer te verkopen in de jaren zeventig. Het laatste model, de 500 R (Rinnovata), krijgt een 594 cc blok in de bips en weet daarmee, met wind mee, een topsnelheid van bijna 105 km/h aan te tikken. Daarmee is de koek op voor Fiat. In 1975 valt het doek, na een productie van meer dan 3,5 miljoen exemplaren. De laatste modellen zijn zo moeilijk te verkopen (de nieuwe 126 staat al sinds 1973 in de showroom), dat ze nog in 1976 nieuw op kenteken worden gezet. Daarna volgt een periode die de ware liefhebber nu zwaar moet vallen. Talloze exemplaren wacht onbarmhartig sloop en shredder, totdat de 500, zo ergens tegen het einde van de jaren tachtig, wordt herontdekt. In de prijzenhausse van 1990 en er na kan het zomaar gebeuren dat een ongerestaureerd modelletje ineens 15 duizend gulden moet opbrengen. Wat ook nog eens grif wordt afgerekend, zeker in en rond de Amsterdamse grachtengordel. Inmiddels zijn de prijzen in rustiger vaarwater beland en kan de liefhebber voor een redelijke prijs terecht, al naar gelang bouwjaar en staat vanzelfsprekend. 

Vooral in Italië is de maatschappelijke impact van de 500 enorm geweest. Meer dan een generatie jongeren heeft leren rijden in een 500 die wordt gekocht door maand na maand het termijnbedrag af te schrijven van het salaris. Voor nachtelijke uitstapjes in de stad en om door heel Italië te rijden of om de grens over te gaan. Voor races met leeftijdsgenoten van tolhuisje naar tolhuisje, om ritjes te maken met meisjes, om te showen met de dubbele ontkoppeling (het beroemde tussengas) en piepende banden en zelfs om – zeer oncomfortabel – de liefde te bedrijven. Maar de 500 is zelfs meer dan dat: het kleintje draagt er toe bij dat de massamotorisering in Italië in de tweede helft van de jaren vijftig definitief op gang komt. De kleine Fiat zet Italië op wielen, zogezegd. En dat is bijzonder voor een pietepeuterig, kaal autootje, dat in de eerste levensjaren compleet wordt verguisd.

Shooting brake 
Daarmee is het verhaal nog niet afgerond en dan hebben we het nog niet eens over de komst van de geheel nieuwe voorwielaangedreven 500 in 2007, wat ons betreft een meer dan geslaagde combinatie van klassieke looks en hedendaagse technologie. De klassieke 500 heeft door de jaren heen diverse afgeleiden gekend. Denk bijvoorbeeld aan de varianten van Fiat-zuster Autobianchi. Het merk produceert enige jaren luxueuze versies op het thema 500. Dan hebben we het over de Bianchina, waarvan behalve een sedan en een coupé (Trasformabile) zelf een soort shooting brake versie verschijnt, de Panoramica. Onder de naam Furgoncino ziet zelfs een heuse bakkers-bestelautovariant het levenslicht. Abarth voert de 500 juist op en een scala aan producenten maakt in betrekkelijk kleine serie hun eigen 500. Denk aan illustere namen als Giannini, Vignale, Ghia, Lombardi, Moretti en Siata. Al deze modellen zijn in hun tijd al een zeldzaamheid en nu dus al helemaal. Wie denkt er eentje voor een aardig prijsje op te duikelen komt in negen van de tien gevallen bedrogen uit: de waarde van deze derivaten is de afgelopen jaar explosief gestegen. In Oostenrijk tenslotte bouwt Steyr-Puch enige tijd een 500 met eigen motor (57.871 exemplaren) en in Duitsland komen via NSU-Fiat met carrosserie-aanpassingen varianten onder de naam Neckar Weinsberg op de weg. Ze zijn inmiddels verworden tot witte raven.

Mijlpalen Fiat 500
November 1957
: Op de Autosalon van Turijn, vier maanden na de introductie, wordt de Nuova 500 in twee versies aangeboden. Economica en Normale. De eerste is ongewijzigd ten opzichte van het oermodel, behalve dat de motor 15 in plaats van 13,5 pk geeft en 465.00 lire in plaats van 490.000 lire kost. De tweede versie, ook met een 15 ok-motor, heeft tevens een betere inrichting, zoals te openen zijramen, verschroomde strips, schermen rond de koplampen en aanpassingen aan de bediening.
December 1957: Er wordt een versie gemaakt voor de Amerikaanse markt, die vooral verschilt door de grotere en verder uitstekende lampen en de verstevigde bumper met beugels, overeenkomstig de geldende wetgeving in het land.
Juni 1958: lancering van de 500 Sport, uitgerust met 499,5 cc motor waarmee een topsnelheid van 105 km/h kan worden gehaald. De carrosserie heeft een gesloten dak, witte lak met een rode streep aan de zijkant en velgen in dezelfde kleur. Prijs: 560.000 lire.
Maart 1959: De versie Tetto appribile wordt uitgebracht met een grote wijziging in het dak: het profiel tussen het dak en de achterruit is ruimer, zodat er ruimte is voor twee personen op de achterbank, ook dankzij een wijziging in de vloer met twee uitsparingen voor de voeten van de passagiers.
Mei 1960: Introductie 500 Giardiniera. De auto biedt veel ruimte, hoewel de afmetingen compact blijven. Dat is te danken aan de gekantelde motor.
Oktober 1960: De 500 D heeft de 499,5 cc motor van de Sport, een rugleuning op de achterbank die neerklapbaar is en nieuwe knipperlichten en velgen.
Maart 1965: De 500 F onderscheidt zich van zijn voorgangers, omdat de scharnieren van de portieren aan de voorzijde zitten. Met grotere ruiten en andere kleine aanpassingen is dit de versie van de Nuova 500 die het grootste verkoopsucces boekt.
Augustus 1968: Naast de 500 F komt de 500 L met verschillende cosmetische aanpassingen, waarvan de zichtbaarste de sierbeugels op de bumpers zijn. Van de twee versies, F en L, worden in totaal 2.272.092 exemplaren gebouwd.
November 1972: De laatste variant heet 500 R (Rinnovata) en wordt gekenmerkt door het ontbreken van alle chroomstrips. Het stuur, de bediening en de instrumenten zijn van zwart plastic en er wordt gebruik van het Fiat-logo met de vier ruiten. Achterin pruttelt een 594 cc torretje, dat vanaf 1973 in de 126 wordt gemonteerd. 
Juli 2007: Lancering van de nieuwe, voorwielaangedreven 500.