Adieu Traction Avant

Zestig jaar geleden stopte na 23 jaar de productie van de Citroën Traction Avant. Na 1957 maakte hij nog jaren deel uit van het straatbeeld. Rond 1970 kwam de Traction opnieuw in de belangstelling te staan, hij werd ontdekt als klassieker.

Geestelijk vader André Lefèbvre werd eind 1932 door André Citroën van concurrent Renault aangetrokken. Het uiterlijk werd ontworpen door Flaminio Bertoni. Beiden zouden ook verantwoordelijk worden voor de HY bestelwagen, de 2CV en de ID/DS. De ontwikkeling van de Traction Avant diende in recordtijd te geschieden. Financiële problemen dwongen Citroën het model snel uit te brengen, waardoor nog niet alles uitontwikkeld was. De eerste TA zag op 3 maart 1934 het levenslicht. Het was een auto met opvallende kenmerken zoals een zelfdragende aerodynamische carrosserie, hydraulische remmen, torsiestaafvering én voorwielaandrijving. Door dit laatste werd de auto in de volksmond Traction Avant genoemd. Officieel luidde de typenaam 7CV. De auto had onafhankelijke wielophanging en een kopkleppenmotor, die zwevend met rubber blokken opgehangen was. Dat kwam het comfort ten goede. Met dit alles was de Traction Avant in die tijd een revolutionaire auto. 
 
Kinderziekten
Door een overhaaste marktintroductie kenden de eerste Traction Avants kinderziekten, die door de fabriek plichtsgetrouw werden aangepakt en opgelost. Deze ellende bracht menige eigenaar en 'Concessionaire' (dealer) in die jaren tot wanhoop. Het was de bedoeling om de Traction Avant te voorzien van een automatische transmissie. Tijdens een praktijktest vanaf de fabriek naar de rand van Parijs, strandden alle drie de auto's. De ingenieurs van Citroën besloten tot een noodgreep en er werd in een tijd van ongeveer drie weken een handgeschakelde drieversnellingsbak in elkaar geflanst, maar die moest wel in het huis van de automaat passen, zodat Citroën het niet zou merken. Deze versnellingsbak zou tot het einde van de productie een zwakke schakel blijven.

Variatie
De 7CV werd in verschillende varianten door Citroën aangeboden: de 7A van 1.303 cc, een maand later de 7B van 1.290 cc, de 7 Sport met een motorinhoud van 1.911 cc en de 11CV-klasser 11 Légère. De derde variant was een tweedeurs Roadster en een Faux-Cabriolet (dus met een vast dak). De vierde uitvoering, de 22CV Grand Luxe werd in oktober ’34 aangekondigd, maar zou nooit in productie gaan. Het betrof een Traction Avant met een 3.8 liter V8. De nieuw versie, de 11, was een verlengde en verbrede 7. De verlengde en verbrede 11 werd de 5/6-persoons Conduite Intérieure en de 7/9-persoons Familiale, herkenbaar aan de derde zijruit. Met dezelfde carrosserievorm kon de Traction Avant in lengte variëren van 445 centimeter voor de 7B tot en met 485 centimeter voor de Familiale. Die laatste had zes zijruiten en klapstoeltjes. De breedte was 162 of 176 cm. In de loop van 1935 kreeg de 7B een grotere motorinhoud (1.628 cc) en veranderde in de 7C.

Dieselmotor
Citroën experimenteerde in 1937 met een dieselmotor in de Traction Avant, maar dat draaide op niets uit. De 11 Légère en 11 werden vanaf dat jaar aangeduid als 11BL en 11B. In 1938 verscheen de Commerciale ten tonele, op basis van de lange carrosserievariant. Daarnaast kregen alle Tractions de zogenaamde ‘Pilote’-velgen, in plaats van de schijfwielen. Veel belangrijker in 1938 was de introductie van de 15 Six, voorzien van een zescilinder lijnmotor met een inhoud van 2.867 cc. Om die fatsoenlijk kwijt te kunnen, kreeg de Traction een langer snoetwerk aangemeten. Er verschenen ook een Conduite Intérieure en een Familiale van de 15 Six. Het kloeke model kreeg de bijnaam Reine de la Route (koningin van de weg). Voor Citroën betekende het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog het einde van de 11 cabriolet en de Faux-Cabriolet, terwijl de rest van het aanbod werd ingekrompen. Met de bezetting van grote delen van Frankrijk begonnen de Nazi’s al snel met het vorderen van grote aantallen Tractions. Citroën mocht als enige Franse autoproducent doorgaan met civiele autoproductie, maar van massaproductie was geen sprake meer. Niet alleen de Duitse bezetter bediende zich graag van de Traction Avant, ook het Franse verzet mocht de wagen veelvuldig inzetten. Het uitgebreide vooroorlogse programma-aanbod zou na 1945 niet meer terugkeren. Citroën hervatte slechts de productie van de 11 Légère en de 15 Six, gevolgd door de 11 Normale. Alleen leverbaar in antraciet grijs. Van 1948 tot 1953 was zwart de enig leverbare kleur voor de 11. De 15 was bij tijd en wijle in grijs leverbaar.  

Hydropneumatische vering
Vanaf 1950 begon Citroën te werken aan een opvolger. Dat betekende dat er vanaf dat moment alleen het hoognodige aan de Traction veranderd zou worden. Twee nieuwe kleuren, waar onder RAF Bleu, maakten de Traction wat aantrekkelijker. Een jaar later kwamen volslagen onverwacht de varianten Conduite Intérieure en Familiale weer terug op de 11 en de 15. Maar écht nieuw was de montage van hydropneumatische vering op de achterwielen, voorbehouden aan de 15 Six. De revolutionaire vering met veerbollen zou de opvolger van de Traction Avant, de DS wereldberoemd maken. De laatste aanpassing van de Traction Avant betrof in 1955 de montage van de modernere Moteur D, met meer motorvermogen. Bij de introductie van de DS in 1955 kwam er een eind aan de productie van de zescilinder Traction Avant. Twee jaar later viel definitief het doek voor de grote Citroën. 

Weinig kleur
Gedurende de 23 jaar van de productie zijn slechts enkele veranderingen aan de Traction Avant aangebracht. Het meest in het oog lopend is wel de modificatie van juli 1952, toen het reservewiel onder een kofferdeksel verdween in plaats van het vertrouwde 'wieltje' achterop. Bij die gelegenheid verhuisden de ruitenwissers naar de onderzijde van de voorruit en werden de bumpers recht in plaats van de sierlijke 'moustaches' van weleer. Alle vooroorlogse viercilinder Tractions hadden twee ventilatieklepjes aan weerszijden van de motorkap. De zescilinders waren van meet af voorzien van een motorkap met staande sleuven en vanaf 1947 hadden alle Tractions een dergelijke motorkap. Ook het interieur is met de tijd enigszins aangepast. De voorstoelen met metalen buizen boven de rugleuningen maakten plaats voor comfortabeler 'pullman'-zittingen. Tot in de loop van 1936 waren alle Tractions voorzien van een instrumentenpaneel dat midden in het dashboard was gemonteerd. Deze auto's hadden dan ook twee handschoenenkastjes. Vanaf het modeljaar 1937 verhuisde het instrumentenpaneel naar boven het stuurwiel. De uitvoering en de kleur van het paneel zijn afwisselend zwart, crème wit en grijs geweest. Ook op het gebied van de techniek zijn kleine modificaties aangebracht, die evenwel nooit ingrijpend waren. De compressieverhouding van de motor is van tijd tot tijd aangepast aan de kwaliteit van de beschikbare benzine (kort vóór en net na de oorlog was deze aanmerkelijk minder). Aan de dringende roep van vele klanten om een degelijker versnellingsbak met vier gangwissels, om minder slijtagegevoelige aandrijfassen en een degelijker en minder gecompliceerde voorwielophanging is door Citroën echter nooit gevolg gegeven. Al met al waren het allemaal relatief bescheiden aanpassingen en verbeteringen voor een icoon, dat het begrip voorwielaandrijving bunnen een kwart eeuw gemeengoed had gemaakt.
 
 
Citroën Traction Avant productieaantallen: 

  • 7 Berline (1934-1939): 114.785
  • 11 Cabriolet (1934-1939): 4.327
  • 7 Sport Faux-Cabriolet (1934-1949): 1.500
  • 11 Normale (1935-1957): 248.597
  • 11 BL Roadster (1938): 671
  • 15 Six (1939-1955):  47.442
  • 15 Hydraulique (1955): +/- 3.000
  • 11 BL Performance/11 Légère (1939-1953): nb. 
  • 11 CV Légère Carbiolet Bernath (1944): 1
  • 15 Six Roadster (1955): 6
  • 11 D Commerciale (1955-1956): nb.
  • 11 D Normale (1955-1957): 58.532
Traction Avants werden gebouwd in Parijs, Vorst (België) en Slough (Verenigd Koninkrijk). Van het eerste type Traction Avant, de 7A, is voor zover bekend, het oudste nog bestaande exemplaar (met productienr. AZ-00-18) tentoongesteld in het Citroënmuseum te Parijs; de waarschijnlijk oudste nog rijdende heeft nr AZ-00-23 en is in Nederlands bezit.
 
Hoe zeldzamer, hoe beter… natuurlijk!
Het zal niemand verbazen dat juist de wat zeldzame, bijzondere versies van de Citroën Traction Avant de laatste jaren in waarde stijgen. De 11 Cabriolet uit 1934-1939 doet in A-conditie momenteel 150.000 euro, terwijl een 7 Sport Faux Cabriolet in dezelfde staat garant staat voor een opbrengst rond de ton. Echt kostbaar is de unieke 15 Six Roadster uit 1955, waarvan slechts zes stuks zijn gebouwd. Deze auto is goed voor een kwart miljoen. Maar vlak ook de 11BL Roadster uit 1938 niet uit, die inmiddels in het Onschatbare Klassieker Jaarboek van 2017 geraamd wordt op zeker 165.000 euro in A-conditie.