Jacques Laffite & Ligier-Ford JS11 en JS11/15

Iets meer consistentie en betrouwbaarheid, en Jacques Laffite zou een kleine veertig jaar geleden zomaar drie (!) wereldtitels hebben behaald met Ligier. Het blijft in 1979, ’80 en ’81 telkens bij vierde plaatsen in de eindrangschikking. Eervolle vierde plaatsen, dat dan weer wel.

Door Rik Werner

Zeg je Laffite, dank denk je onmiddellijk aan Ligier, Gitanes en startnummer 26. Zelden is een coureur zo verweven geweest met een renstal. Jacques Henri Laffite (23 november 1943) behoort zonder meer tot de betere Franse Formule 1-coureurs van zijn generatie. De Parijzenaar komt tot 176 Grand Prix-starts voor Frank Williams en Guy Ligier (zijn enige werkgevers) en boekt daarin zes overwinningen, 32 podiumplaatsen, zeven pole-positions, zes snelste wedstrijdronden en 228 punten. Lang geen gekke conduite staat! De kleine Fransman staat te boek als ‘snel’, maar krijgt in tegenstelling tot bijvoorbeeld Patrick Depailler, Didier Pironi of Alain Prost nooit het predicaat toptalent opgeplakt. De laatbloeier, Laffite debuteert pas op ruim 30-jarige leeftijd in de F1, doet op goede dagen echter voor niemand onder. Drie maal heeft Laffite in zijn lange loopbaan uitzicht op het wereldkampioenschap, maar telkens komt hij net te kort. OKm zoomt in op de jaren ’79 en ’80, waarin de tanige Fransman de wulps geboetseerde Ligier JS11 en JS11/15 rondsleurt, een ontwerp van landgenoot Gérard Ducarouge.

Wonder

Frank Williams, in ’74 eigenaar van het financieel gammele achterhoedeteam Iso-Marlboro, gunt Laffite in de zomer van 1974 op de Nürburgring zijn Formule 1-debuut. De Fransman krijgt een contract voor de rest van het seizoen voorgeschoteld (zolang sponsor Elf maar betaalt) en mag zijn rijkunsten vertonen aan de zijde van de qua postuur nog kleinere Arturo Merzario. Het worden vijf moeizame Grand Prix-weekends voor Laffite, die een enkele keer in kwalificaties sneller is dan zijn met reusachtige cowboyhoeden getooide Italiaanse leermeester, maar in de races weinig gelukkig is. Merzario komt met een zesde plaats in Zuid-Afrika en een sensationele vierde stek op Monza nog tot vier WK-punten, Laffite kan van zulke resultaten alleen maar dromen. De vijftiende plaats in Canada is de enige klassering. Laffite combineert de Formule 1 in ’74 met de Formule 2, wat hem in die categorie een derde plaats in de eindrangschikking oplevert. In 1975 worstelt Laffite verder bij het armlastige Williams, waar de rijdersbezetting soms per Grand Prix wisselt. Wie het meeste betaalt rijdt, en zo staat Laffite in Zweden zelfs een weekend aan de kant. Maar tijdens de Grand Prix van Duitsland voltrekt zich het grote wonder. In een door grote hitte geteisterde race, waarin veel banden spontaan ploffen, eindigt de Williams-coureur vanaf startplaats vijftien als tweede achter winnaar Carlos Reutemann en nog voor een (eveneens) lek rijdende Niki Lauda. De champagne smaakt zoet op het podium, want de tot dan toe onzichtbare Laffite staat plotseling in de schijnwerpers. De bonus volgt met een overtuigend kampioenschap in de Formule 2. Het komt hem op een aanbieding te staan van oud-coureur Guy Ligier, die in de sportprototypes naam heeft gemaakt als constructeur en in ’76 de overstap naar de Formule 1 wil maken. Met sigarettenmerk Gitanes als hoofdsponsor is geld geen issue, bovendien levert Matra machtige atmosferische 3-liter V12-motoren. Bovendien is er met Gérard Ducarouge een talentvolle ontwerper is huis. Laffite hapt toe, vive la France, nietwaar!

Theemuts

Ligier zet in 1976 slechts één auto in, de blauwwitte JS5 ‘theemuts’, waarmee ‘Jacquot’ zich van alle aandacht weet verzekerd. Het seizoen verloopt voor een debuterend team ongemeen goed, met een schitterende tweede plaats in Oostenrijk, twee derde plaatsen op Monza en Zolder, en al even keurige vierde plaatsen op Long Beach en Anderstorp. De sensationele pole-position in de Grand Prix van Italië bewijst de power van het amechtig krijsende Matra-V12-blok. Ligier eindigt bij het constructeurs-WK knap als vijfde (mind you, met slechts één auto!), terwijl Laffite bij de coureurs een zevende plek in de eindrangschikking opeist. Ligiers tweede seizoen verloopt met aanmerkelijk minder regelmaat. De nieuwe Ligier-Matra JS7 oogt weliswaar rank en slank, maar is minder betrouwbaar dan zijn voorganger. Triest is de crash op Kyalami, met de door een brandblusser dodelijk verwonde Tom Pryce. Toch zijn er ook lichtpuntjes, wat heet! In Zweden stoomt Laffite vanaf de achtste startplaats naar de eerste GP-zege voor hem en Ligier, al heeft de combinatie daarbij het grote geluk dat een dominante Mario Andretti (JPS Lotus) in de slotronde de koppositie moet prijsgeven door brandstofgebrek. De Franse feestvreugde is er op het podium niet minder om. Op Zandvoort strijdt Laffite écht vooraan me om de zege, maar moet hij - op pure snelheid geklopt - in de slotfase genoegen nemen met een tweede plaats achter Lauda’s Ferrari. Een vijfde plaats in Japan en een zesde op Silverstone zijn verder de enige races waarin Ligier tot scoren komt en dat is een tegenvaller. In 1978 komen ‘Les Bleus’ – andermaal met één bolide - vaker tot scoren, met podiumfinishes (derde) op Jarama en Hockenheim als hoogtepunten. Eén vierde stek (Italië) en een viertal vijfde plaatsen stellen coureur noch teamleiding tot tevredenheid.

Rivaliteit

Guy Ligier hakt eind ’78 de knoop rigoureus door: het moet allemaal anders. De dorstige, vrij onbetrouwbare Matra-motoren worden ingeruild voor Ford-Cosworth DFV V8 krachtbronnen en er komt – tot ongenoegen van de verwende Laffite – een tweede Franse coureur bij. De keuze valt op Patrick Depailler, die startnummer 25 krijgt toebedeeld. Net voor de seizoenstart, half januari ’79, is de JS11 klaar, die opvalt door zijn bijzondere bodywork. Het korte neusje en de dramatisch oplopende sidepods vallen als eerste in het oog. Het betreft een zogenoemde grondeffect auto, naar het voorbeeld van de dominante Lotus 79 uit 1978. Dus met een gewelfde wagenbodem, en bewegende sideskirts die de auto aan het wegdek laat kleven. De JS11 blijkt in de eerste maanden van ’79 een wonderauto. De Ligiers domineren de eerste Grands Prix in Buenos Aires en São Paulo naar believen. Niet alleen kleurt in beide races de eerste startrij blauw, Laffite rolt in beide gevallen met speels gemak de concurrentie op. Depailler maakt er in Brazilië zelfs een Ligier-dubbelzege van. Maar dan komt de klad erin. In de derde race in Zuid-Afrika staan de Ligiers slechts op startrij drie en raken beide coureurs in de wedstrijd bij ongelukken betrokken. In Spanje komt de rivaliteit tussen beide Fransen snoeihard naar voren. De eerste startrij is weer ouderwets blauwwit en andermaal verovert Laffite pole, maar het is Depailler die de kop pakt. Dat zint ‘nummer 26’ niet, die in verwoede pogingen om zijn teamgenoot bij te halen zich verschakelt en zodoende zijn Ford-Cosworth krachtbron over de kop jaagt. Wat in een volledig Franse show had moeten uitmonden, eindigt nu in een eenzame, onaangevochten zege van Depailler. Een race later, op het Belgische Zolder, gaat het weer mis. Eenzelfde overheersing op de eerste startrij weliswaar, maar in de race is er hevige concurrentie van Williams en Ferrari, teams die hun nieuwe auto’s (respectievelijk FW07 en 312T4) met het weekend beter zien worden. Depailler crasht knullig, terwijl Laffite achter Jody Scheckter met pijn en moeite als tweede finisht. Auw! In Monte Carlo is Ligier nog verder van huis. Laffite moet de race in ronde 56 met een kapotte versnellingsbak staken, terwijl Depailler kort voor de finish door motorpech wordt getroffen. Weg dominantie en het gaat van kwaad tot erger wanneer Depailler bij een deltavliegongeluk diverse botten breekt en de rest van het seizoen verstek moet laten gaan. Invaller Jacky Ickx kan geen moment wennen aan het rijgedrag van een grondeffectauto, daarnaast wordt de technische input van Depailler bij de doorontwikkeling van de JS11 node gemist. Ligier verpietert. Laffite scoort nog slechts kleurloze derde plaatsen in Duitsland en Nederland, terwijl Ickx drie armetierige puntjes bij elkaar sprokkelt. Zelden is het verval van een renstal binnen enkele maanden zo groot geweest. Dat Ligier nog derde wordt in het constructeurs-WK, is een schrale troost.

Constructiefoutje

Nieuwe ronde, nieuwe kansen moet Guy Ligier bij aanvang van het seizoen 1980 hebben gedacht. Didier Pironi bestuurt voortaan de auto met startnummer 25 en topdesigner Ducarouge slijpt de JS11 verder fijn. De voorspoilers verdwijnen en de Ford-Cosworth motor zit voortaan helemaal aerodynamisch verantwoord verpakt onder het bodywork. Het resultaat: een werkelijk bloedsnelle auto, maar grillig als de maand maart. Laffite en Pironi winnen ieder slechts een race (respectievelijk Duitsland en België), wat gezien de pure speed van de auto feitelijk onbestaanbaar is. Symptomatisch in de thuisrace op Paul Ricard, waar Laffite tot de 35ste van de 54 ronden onafgebroken aan de leiding rijdt, maar plotseling met gripproblemen weerloos is tegen een aanval van Alan Jones (Williams). “Verdomme, alles gaat verkeerd. De wagen, de banden, de hele race’’, moppert Laffite tegen de Oostenrijkse tv-verslaggever Heinz Prüller. Pironi steekt Laffite ook nog voorbij en wordt tweede, Laffite vreugdeloos derde. Ligier zweert wraak in Brands Hatch, maar daar worden de coureurs in de race onophoudelijk geteisterd door lekke banden, wat voor zowel Laffite als Pironi afloopt met een snoeiharde duik in de vangrails. Later blijkt wat er mis is: de velgenfabrikant heeft een constructiefoutje gemaakt, er loopt telkens lucht langs de velgrand. Miljoenen tv-kijkers zien het gebeuren, de coureurs missen het in hun spiegels. Guy Ligier is giftig en brult: “Als mijn coureurs een beetje meer hersens hadden, als ze voorzichtig zouden zijn met hun wagens, als ze niet over de kerbstones denderen maar op het asfalt zouden blijven, dan zouden we een dubbelzege hebben behaald.” De sfeer is in de zomer kortom gedaald naar het nulpunt. Na de lucky zege van Laffite op Hockenheim komt er met de JS11/15 geen moment of glory meer. De tweede plaats in het WK voor constructeurs is niet meer dan een pleister op de wonde.

In 1981 ruikt Laffite nog eenmaal aan de titel, nu weer met Matra-power achterin. Na zeges in Canada en Oostenrijk komt de Franse veteraan in de WK-stand onverwacht dicht bij de kemphanen Reutemann en Piquet, maar moet zich (onder meer na een knullige botsing met Reutemann op Zandvoort) tevreden stellen met wéér een vierde plaats in het eindklassement. Laffite zal na ‘81 geen GP meer winnen en zet in 1986, na een zware crash op Brands Hatch, op 43-jarige leeftijd een punt achter zijn F1-loopbaan. Ligier wint nog slechts eenmaal, in 1996, na een verrassend sterk optreden van Olivier Panis in de straten van Monte Carlo. Daarna gaat de renstal op in Prost Grand Prix, dat in 2001 het loodje legt.  – 1788w